(…)Op het eerste gezicht verwijzen de foto’s van Ben Van den Berghe naar de documentaire fotografie. Zo laat hij telkens weer taferelen zien die de kijker doen vermoeden dat de fotograaf in zijn beeld iets wil vatten van hun ware toedracht. De objecten die hij toont zijn echter niet geladen met een transcendente betekenis, integendeel, het onderwerp is telkens weer de betekenis die de mens zelf toekent aan de realiteit.

Van den Berghe fotografeert uitsluitend menselijke constructies, vaak bijzondere composities, of bestaande beelden in close-up. Uit de beelden spreekt in de eerste plaats de systeemdwang van de mens, de behoefte aan een duidelijk verhaal. De kunstenaar laat zien hoezeer we omringd zijn met subtiele richtingaanwijzers die ons het gevoel moeten geven dat we in een overzichtelijke wereld leven. Het kan gaan om erg directe en dus gemakkelijk te ontmantelen manipulaties, maar bij uitbreiding ook om ficties waarmee de mens de realiteit vorm geeft.

De fotografie biedt voor de kunstenaar echter geen alternatieve waarheid. Zijn foto’s maken nadrukkelijk duidelijk dat ze ook constructies zijn. Op een foto, die als autonoom beeld in principe los staat van het achterliggende verhaal, krijgt het getoonde zo iets ongedefinieerds, wordt het een element in een fotografisch geheel dat niet één mythe maar een oneindig arsenaal aan verhalen inhoudt.(…)

(fragment uit een tekst van Koen Sels)

……………………………………………………………………………………………………………………………………

(…) Hoezeer het werk van Van den Berghe ook een aura heeft van koele objectiviteit, het is in zekere zin anti-fotografisch: geen documenten van wat zich heeft voorgedaan, maar uitgepuurde constructies, wit en onwerkelijk. Paradoxaal genoeg schuwt Van den Berghe in de Bühnen – foto’s elke theatraliteit, of het moest de blik zijn achter de coulissen, op wat overblijft na het spektakel. Wie inzoomt op deze lege scènes begrijpt dat display ook een relevant concept kan zijn om vat te krijgen op de fotografische praktijk van Van den Berghe. Minimalistische settings tonen de manier waarop ons iets wordt getoond. De dingen worden geïsoleerd en omkaderd, op een sokkel geplaatst, in een conferentie gepresenteerd, of aangereikt met de handen, zoals de opengevouwen vleugel van een duif.

Het zorgvuldige fotografische kader van Van den Berghe maakt de mise-en-scène zelf zichtbaar, en verschuift de focus van wat we geacht worden te zien naar de context en hoe ons iets wordt voorgeschoteld. Onmiskenbaar verwijzen deze technieken van presentatie en manipulatie naar collectieve, historische modellen als het altaar of het tribunaal, en naar formele strategieën van symmetrie en monumentaliteit, om datgene wat van waarde wordt geacht te vatten, te bewaren en te sacraliseren. Ik las ergens dat ‘monstrans’ – wat doorklinkt in demonstratie – van het Latijn ‘ostendere’ stamt, dat ‘laten zien’ betekent.

In die zin is het werk van Van den Berghe behoorlijk zelfreflexief, omdat het hem niet om de afbeelding te doen is, maar om het beeld in het beeld, tot in het claustrofobische toe, wat meteen ook naar het medium fotografie verwijst, dat toch in grote mate verantwoordelijk is voor die ‘eindeloze spiegelzaal’ van beelden waarin we ons bevinden, als gevangenen van wat we zien, zoals Andy Grundberg zegt in “The Crisis of the Real” over onze postmoderne conditie.(…)

(fragment uit een tekst van Inge Henneman)